Gisterenavond at ik boterhammen met kaas in het park en hing een beetje rond in het centrum. Ik raakte aan de praat met een Duitse fietser die ik onderweg al een paar keer eerder gezien had. Hij zat ook te wachten tot we konden inschepen. Hij had gestudeerd in Maastricht en sprak een woordje Nederlands.
Toen er een koude wind opstak verkaste ik naar de stationshal. Daar staat een automaat waar je je boardingpas uithaalt en waar je kunt wachten tot je opgehaald wordt om onder begeleiding naar de ferry te gaan.

Dat wachten duurde tot vlak voor de afvaart, zodat ik al bijna dacht dat ze ons vergeten waren. Een kwartier voor tijd ging er een deur open en werden we geroepen door een man in een geel hesje. De drie voetgangers gingen in een bus en wij fietsers reden met zijn vijven er in het donker achteraan. Nou hebben de meeste havens een aparte fietsbaan, maar deze dus niet. Het ging kriskras over de opstelbanen voor de auto’s en tussen de vrachtwagens door, daarna volgde een klimmetje over een stalen roosterbaan en toen waren we op dek 5. Een man met een geel hesje maakte een vaag armgebaar en verdween. Wij keken elkaar aan, wat nu? De meest ondernemende van ons, de enige vrouw in het gezelschap, ging achter hem aan en haalde hem terug. (Dat zie je vaak in dit soort situaties, mannen willen het koste wat kost zelf uitzoeken en vrouwen zijn wat praktischer ingesteld en vragen het gewoon). Zet ze hier maar neer, zei de teruggehaalde deckhand en hij wees naar een leeg vak achter een paar auto’s en verdween weer. Ja wat nu, zeiden de Duitse fietsers. zullen de fietsen niet omvallen? Waarschijnlijk niet,zei ik, zoveel wind staat er niet, maar dat was aan dovemansoren. Iemand suggereerde al om de fietsen plat op het dek te leggen, maar mijn voorstel was om ze dan maar vast te sjorren aan de pilaren aan de zijkant van het vak. En zo geschiedde. Als het echt slecht weer zou worden en je legt de fietsen plat neer, dan dweilen ze van links naar rechts over het autodek was mijn gedachte.

Ik verdween naar mijn hut, nam een douche en ging slapen. Om kwart voor zes klinkt Here comes the sun door de luidsprekers, wat ik wel kan waarderen. Na een snel ontbijtje, ik heb yoghurt en muesli mee, is er nog net tijd om te zien hoe we afmeren en om tien voor zeven staan we al weer op straat.
De eerste anderhalf uur fiets ik door voorsteden en industrie van Travemünde en Lübeck. Ik drink nog een hele slechte koffie in Lübeck en dan snel verder. Dan verandert het landschap langzaam in Duits platteland, een beetje heuvelig, maar niet te erg.


Om half twaalf is de voorband opeens weer zacht, althans ik merk het dan en pomp hem weer op tot drie bar. Een tweede plakpoging heeft pas zin als hij snel leegloopt, we zullen zien wanneer het zover is. Ik drink koffie in Bad Oldesloe met een stuk chocoladetaart, geserveerd op een leisteen en versierd met rode bessen.

Tegen drie uur ben ik op de plaats van bestemming, het is een self check-in hotel, de receptie is dicht. Ik vraag aan een schoonmaker, die binnen bezig is, waar de Fahrradschuppe is, die was tenslotte beloofd in de bevestiging. Hij trekt een slim gezicht en begint een heel verhaal over alle plekken waar je een fiets zou kunnen stallen. Maar in de schuur? Dat kan wel, maar dan moet ik hem 7,50 betalen. Ik denk er nog even over na.
Afstand: 76,3 kilometer
Tijd: 5:42